Statenvertaling.nl

sample header image

De Statenbijbel en de rabbijnen

Het artikel op deze pagina is geschreven door de heer L.M.P. Scholten naar aanleiding van het promotie-onderzoek van dr. C.M.L. Verdegaal over de invloed van de rabbijnse traditie op de Statenvertaling. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de archiefstukken van de statenvertalers over het boek Job. Het artikel verscheen in het kwartaalblad Standvastig van de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS), september 1998.

Promotie-onderzoek dr. Verdegaal archiefstukken Statenvertaling

Veel mensen weten niet dat de manuscripten van de Statenvertalers voor een groot deel bewaard zijn gebleven. Tot nu toe is met dat materiaal weinig of niets gedaan. Het werd bewaard in het archief van de Nederlandse Hervormde Kerk, thans in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. [Inmiddels bevinden deze stukken zich in het Utrechts Archief (noot redactie statenvertaling.nl).]

En toch bevat dit werkmateriaal van de Statenvertalers een schat aan informatie over hoe zij gewerkt hebben, en wat hun bronnen waren. Welke woordenboeken gebruikten ze? Welke bijbelvertalingen vergeleken ze? Van welke commentaren maakten ze gebruik?

In 1937 schreef dr. C. C. de Bruin al over de Statenvertaling: “Zo goed als wij zijn ingelicht omtrent den uitwendigen ontwikkelingsgang van het groote werk, zoo slecht zijn we op de hoogte van zijn inwendige geschiedenis. Het materiaal voor het onderzoek ligt opgetast; er wordt slechts gewacht op iemand, die zich zal aangorden tot de aantrekkelijke taak, het innerlijk wordingsproces van onzen volksbijbel te schetsen”.

Daarmee bedoelde hij het feitelijke vertaalproces. De eerste die, een halve eeuw later, dit materiaal systematisch is gaan uitspitten, is C. M. L. Verdegaal. Dit jaar is hij erop gepromoveerd aan de Katholieke Theologische Faculteit te Tilburg. Opmerkelijk, de eerste die zich zo diepgaand met de aantekeningen der Statenvertalers heeft beziggehouden, is een rooms-katholiek. Verdegaal is docent Oude Testament aan de Fontys Hogeschool in Tilburg.

Archiefstukken vertaling van Job

Hij koos voor zijn onderzoek het boek Job. Daarvan is de werkvertaling, met notities en correcties, namelijk volledig bewaard gebleven. Een andere overweging is, dat juist aan dit boek veel uitleg- en vertaalproblemen kleven.

Het Job-archief van de Statenvertalers telt 380 foliobladen en 35 quartobladen. Dan is er ook nog de proefdruk. Die bevat het voorlopig eindresultaat van de vertalers, dat nog door de revisoren is besproken, waarna de definitieve tekst werd vastgesteld. De tekst van de vertaling én van de kanttekeningen.

johannes bogerman
Johannes Bogerman (1576-1637).

Uit deze papieren kon Verdegaal de loop van de vertaling van stap tot stap volgen. Bij Job was het zo, dat Johannes Bogerman de basisvertaling maakte. Daarin gaf hij dikwijls nog meerdere vertaalmogelijkheden aan. Tevens voegde hij er concept-kanttekeningen aan toe. Het handschrift van Bogerman is duidelijk te herkennen.

Bogerman gaf zijn huiswerk vervolgens aan zijn collega-vertaler Wilhelmus Baudartius. Deze schreef er zijn commentaar bij en deed zo nodig wijzigingsvoorstellen. Dan kreeg de derde vertaler van het Oude Testament, Gerson Bucerus, het werk in handen, die er ook weer zijn notities bij maakte.

Vervolgens zien we Bogerman weer commentaar bijschrijven op de opmerkingen van de twee anderen. Tenslotte kwamen ze bij elkaar om tot een eenparig resultaat te geraken.

Dat ging naar de drukker voor een proefdruk, die aan de revisoren werd voorgelegd. In gemeenschappelijke vergaderingen van de vertalers en de revisoren werd dan de definitieve tekst vastgesteld. Omdat de papieren van de revisoren meest niet bewaard zijn, kon Verdegaal hun persoonlijke inbreng doorgaans niet meer achterhalen. Wel werd hem duidelijk, dat Gomarus daarin een belangrijk aandeel heeft gehad.

Bronnen

Voor het onderzoek van Verdegaal is het aardigste, dat Bogerman, Baudartius en Bucerus in hun notities voor elkaar steeds ook de bronnen noemen, waaruit zij hun ideeën omtrent de vertaling van dit of dat woord of zinsdeel hadden geput. Zo krijgen we een goed inzicht in wat die bronnen waren, gecombineerd met de bewaard gebleven veilingcatalogi van het boekenbezit van Bogerman en dat van revisor Gomarus. We krijgen niet alleen een indruk, maar raken ook diep onder de indruk van de geleerdheid en wetenschap die uit deze bibliotheken spreekt. Zo waren de vertalers voor hun werk zeer goed toegerust.

Verdegaal kwam op zijn speurtocht dikwijls verwijzingen tegen naar de Vulgaat, de Franse en de Engelse Bijbel, alsook de vertalingen van Piscator, Hugh Broughton, de Deux-Aes, het vertaalwerk van Marnix van Sint Aldegonde en van revisor Joos van Laren, die een (niet bewaard gebleven) vertaling van Job had gemaakt. Op zichzelf stuk voor stuk boeiend, maar Verdegaal heeft zijn onderzoek toegespitst op de invloed van de rabbijnse traditie op de totstandkoming van de Statenvertaling.

Rabbijnen

Uit hun aantekeningen blijkt zonneklaar, dat de Statenvertalers terdege gebruik hebben gemaakt van Joodse bronnen. Rabbijnse geschriften werden veelvuldig door hen geraadpleegd, met name de commentaren. Trouwens, Verdegaal laat zien, dat het klimaat waarin de Statenvertaling ontstond, we mogen wel zeggen heel de gereformeerde theologie, doordrenkt was van interesse voor de Hebreeuwse taal en de uitleg van het Oude Testament door de Joodse rabbijnen. Reeds bij de “voorgangers” van de Statenvertaling, zoals Marnix van Sint Aldegonde en Johannes Drusius (de leermeester in het Hebreeuws van alle drie de vertalers Oude Testament, Bogerman, Baudartius en Bucerus) was die belangstelling in ruime mate aanwezig.

Deels lazen de Statenvertalers de rabbijnen rechtstreeks, deels indirect, via de werken van christelijke hebraïsten. Befaamd was vooral het woordenboek van Buxtorf en diens Bazelse Rabbijnenbijbel, waarin de commentaren van Abraham Ibn Ezra, Levi ben Gersjom en andere gezaghebbende Middeleeuwse rabbijnen waren opgenomen. Ook maakten zij duchtig gebruik van de verklaring van Job van de (rooms gebleven) Franse hebraïst Mercerus, die ook tal van Joodse verklaarders citeerde. Verdegaal concludeert overigens wel, dat de aandacht van de Statenvertalers voor de rabbijnse traditie zuiver filologisch van aard was. Zij raadpleegden de boeken der rabbijnen louter om de kennis van het Hebreeuws, de betekenis van woorden of uitdrukkingen. Zij waren niet geïnteresseerd in typisch Joodse discussiepunten. Naar alle waarschijnlijkheid hebben zij ook geen persoonlijke contacten met Joden gehad. Ze kenden ze alleen uit hun boeken. Daar moet bij bedacht worden, dat er in de tijd van het ontstaan van de Statenvertaling ook nauwelijks rabbijnen in ons land waren. De grote toestroom van Duitse en Poolse Joden moest nog komen. Alleen in Amsterdam bestond een Portugees-Joodse synagoge. Slechts van revisor Gomarus is bekend dat hij correspondeerde met rabbijnen in Frankfort.

Invloeden

Voor ons is het natuurlijk vooral interessant, wat van die rabbijnse invloeden in de Statenvertaling te merken is.

Een aardig voorbeeld is Job 4:10 en 11. Bogerman geeft de basisvertaling:

‘De brullinge des leeuws, ende de stemme des fellen leeuws of des grooten of des moedigen leeuws, ende de tanden der jonge leeuwen wordt uitgeruckt of verbrooken. of vermaelt.
De oude leeuw vergaet om datter geen roof en is, ende de jongen eens quaisaemen leeuws worden verstroijt.’

Men ziet dat Bogerman op twee punten verschillende vertaalmogelijkheden in overweging geeft. De mogelijkheid ‘des fellen leeuws’ heeft hij zelf al doorgeschrapt. Bovendien voegt hij aan deze vertaling een uitgebreide notitie (in het Latijn) toe, waarin hij samenvat wat hij nagezocht heeft aangaande de verschillende soorten leeuwen die er zijn. Hij geeft weer wat er in diverse andere vertalingen staat, hij citeert Mercerus en Buxtorf en beroept zich op de interpretatie van Rasji en de Babylonische Talmoed.

Baudartius krijgt nu het manuscript in handen. Hij kiest voor ‘felle leeuw’, wat Bogerman juist had geschrapt, en stelt in plaats van ‘quaisaem’ het woord ‘oudachtig’ voor. Bucerus voegt aan de alternatieven voor het werkwoord in vers 10 ‘gebroken’ toe. Uiteindelijk wordt gekozen voor felle leeuw, gebroken en oudachtig. Bucerus schrijft het eerste deel van kanttekening 14. Bogerman voegt daar het tweede deel aan toe.

Job 9:13. Bogerman stelt (ditmaal zonder toelichting) de volgende vertaling voor: ‘Godt en, sal sijnen tooren niet afkeeren: onder hem worden gecromt de trotsige helpers.’ Baudartius geeft voor ‘gecromt’ het alternatief ‘gebogen’. ‘Trotsige helpers’ stelt hij voor te wijzigen in ‘hooveerdige helpers’. Bucerus reageert door voor het laatste punt twee Hebreeuwse citaten bij te schrijven, van Ibn Ezra (de mensen van de macht) en van Levi ben Gersjom (de helpers in hoogmoed en kracht). Dat brengt Bogerman ertoe, om er een kanttekening aan toe te voegen, gebaseerd op Levi ben Gersjom. De tekst wordt vastgesteld, met de alternatieven van Baudartius, en de kanttekening wordt overgenomen (nr. 24).

Zaak of woord

Bij Job 5:8b legt Bogerman zijn collega’s twee mogelijkheden voor: ‘ende op Godt mijne saecke verleggen’ of ‘naer Godt mijne reden schicken’. In een uitgebreide notitie gaat hij in op de vraag of het Hebreeuwse woord dabar hier zaak of woord betekent. Junius en de Engelse Bijbel kozen voor het eerste. Voor het andere standpunt, waartoe hij lijkt te neigen, noemt hij o.m. de Targoem. Voor dat laatste wordt ook gekozen, waarbij op voorstel van Baudartius ‘mijne reden schicken’ wordt gewijzigd in ‘mijne aensprake richten’.

In Job 4:15a vertaalt Bogerman aldus: ‘Doe ginck voor bij mijn aengesichte eenen geest’. Zich bewust van de merkwaardige formulering ‘een geest ging’ beroept Bogerman zich op Ibn Ezra, die in zijn commentaar op dit vers voor de betekenis van het Hebreeuwse werkwoord verwijst naar Hooglied 2:11, waar het ongetwijfeld ‘voorbijgaan’ betekent. Baudartius is het daar niet mee eens. Hij stelt voor, ‘verscheen’ te vertalen. Bucerus kiest voor de vertaling van Bogerman en wijst erop, dat het Hebreeuwse werkwoord in Job 9:11 en 26 en 11:10 ook zo is vertaald. Alzo besloten, met kanttekening 23.

Job 7:18b. Bogerman geeft als basisvertaling: ‘Ende dat ghij hem besoeckt in de morgenstonden’, maar hij geeft in overweging aan het laatste tussen vierkante haken (wij nu: cursief) het woordje ‘alle’ toe te voegen. Hij verwijst daarbij naar Ibn Ezra, die ‘de morgenstonden’ opvat als een uitdrukking voor ‘altijd’, met een verwijzing naar Klgld. 3:23. Dit wordt door de anderen overgenomen, waarbij op voorstel van Baudartius ‘[alle] morgenstonden’ wordt weergegeven met ‘elcken morgenstond’. De toelichting van Ibn Ezra wordt in de kanttekening verwerkt.

In Job 12:16 geeft Bogerman drie mogelijkheden voor de vertaling van het Hebreeuwse woord toesjiah: wijsheid, wezen of bestendigheid. Gekozen wordt voor ‘wijsheid’, zoals Bogerman dat onder meer in de Targoem en de uitleg van Nachmanides had aangetroffen.

In Job 6:21 is er een kwestie van de Hebreeuwse tekst. Een woordje kan (met één letter verschil in het Hebreeuws) gelezen worden als ‘niets’, of als ‘voor hem’; dezelfde kwestie als in Psalm 100:4. (Zie aldaar kanttek. 6) Bogerman kiest voor de eerste lezing, waarvoor hij op gezag van Mercerus verwijst naar de Targoem.

Tenslotte Job 12:4. ‘Roepende tot God Die hem verhoort’. In een notitie gaat Bogerman in op de vraag wie hier tot God roept, de bespotte of de spotter. Uit het Hebreeuws blijkt dat niet. Hij memoreert dat (o.a.) Mercerus, de Franse vertaling en Diodati het verstaan van de bespotte, maar Piscator, Junius, de Engelse vertaling en Levi ben Gersjom van de spotter. De vertalers kiezen voor de eerste interpretatie, maar vermelden beide meningen in de kanttekening.

Lezenswaardig

Verdegaal heeft een lezenswaardig boek geschreven, met tal van nog niet eerder beschreven bijzonderheden omtrent de totstandkoming van de Statenvertaling. Er is nog genoeg aanleiding tot verder onderzoek van het door hem ontsloten, nog nagenoeg onontgonnen gebied.

Lezing van zijn boek gaf ons aanleiding om de schrijver drie kritische vragen te stellen.

Baudartius

wilhelmus baudartius
Wilhelmus Baudartius (1565-1640).

1. Uit het feit dat Bogerman (immers de basisvertaler) zijn keuzes nauwgezet motiveert, onder andere door op rabbijnse bronnen te wijzen, en Bucerus daar doorgaans nog een schepje bovenop doet, terwijl Baudartius zich meestal beperkt tot opmerkingen over het Nederlands, concludeert Verdegaal m.i. te gemakkelijk: “Baudartius, die zich meer om het Nederlands bekommert, lijkt zich verre te houden van diepgaand onderzoek naar de betekenis van de Hebreeuwse tekst. Hij was immers ook degene die oorspronkelijk meer geporteerd was voor een herziening van een bestaande bijbelvertaling dan voor een geheel nieuwe vertaling” (blz. 244).

Dat laatste is inderdaad waar. Verdegaal zal hier doelen op Baudartius geschrift “Wechbereyder op de verbeteringhe van den Nederlantschen Bijbel” (1606), waarin hij, omdat alle pogingen om tot een eigen Nederlandse vertaling rechtstreeks uit de grondtekst te komen, de een na de andere mislukten, voorstelde, de Duitse Piscatorbijbel maar te vertalen. Dat voorstel van Baudartius lijkt ons eerder een noodsprong te zijn geweest. Maar wij veronderstellen, dat Verdegaal Baudartius’ boekje zelf niet onder ogen heeft gehad, want Baudartius spreekt daarin nadrukkelijk de wenselijkheid uit, bij de toetsing van de toen gangbare vertaling ook verklaringen van rabbijnen te betrekken. Zie ook de dissertatie van Broek Roelofs, blz. 143.

Luther

2. Verdegaal signaleert, dat bij alle bronnen die de Statenvertalers in hun notities noemen, heel opvallend Luthers vertaling totaal afwezig is. Volgens Verdegaal omdat zij Luthers vertaling als ongeschikt beschouwden (blz. 141).

Inderdaad is er een duidelijk verschil tussen de Statenvertalers en Luther in vertaalmethode. Bekend is de uitlating van Marnix, in een brief aan Drusius in 1594, dat onder al de bestaande bijbelvertalingen “geen zo ver van de Hebreeuwse waarheid verwijderd is dan die van Luther, uit welke gebrekkige Hoogduitse overzetting onze nog gebrekkiger Nederlands-Duitse (hij bedoelde de Deux Aes) is voortgekomen”. Maar hoe verklaart Verdegaal dan, dat de Statenvertalers wel dikwijls de Deux-Aes als bron gebruikten? Juist het Oude Testament van de Deux Aes is een getrouwe vertaling van Luthers vertaling in het Duits, tot in de kanttekeningen toe.

Zo troffen we alleen reeds in Verdegaals eigen studie zesmaal Luthers interpretatie door Bogerman geciteerd, zij het dan indirect, met de aanduiding ‘Belg.’ (versio Belgica = Deux-aesbijbel), pag. 71, 91, 92, 95, 227 en 229.

Hoe het dan komt, dat Luther niet eenmaal aangehaald wordt, zou ik overigens ook niet kunnen verklaren.

Heeft Verdegaal zich overigens gerealiseerd dat in de notities van de vertalers ook Calvijns verklaring van Job in het geheel niet wordt genoemd?

Acceptabel maken?

3. Verdegaal citeert de richtlijn van de Dordtse Synode met betrekking tot de kanttekeningen: “De waarneming der leerpunten daarbij te voegen, is geoordeeld noch nodig, noch raadzaam te zijn”. Hij concludeert daarvan: “Wat het laatste aspect betreft wilde men allerlei dogmatische disputen – tussen remonstranten en contra-remonstranten – vermijden en zo de vertaling voor de diverse richtingen acceptabel maken, ondanks de veroordeling van de remonstranten door de Synode”. (246, zie ook 38 ev).

Daar geloof ik niets van. Deze uitspraak van Dordt is m.i. ingegeven door methodische overweging. Het ging immers om exegese. En de dogmatiek behoort de exegese niet te overheersen. Maar Verdegaal zal niet hard kunnen maken, dat de synode bewust beoogde, “de vertaling voor de diverse richtingen acceptabel te maken”. Niet omdat de synode zo irenisch was en acceptabel voor allen wilde zijn, maar omdat zij begreep, dat exegese en dogmatiek twee onderscheiden zaken zijn en moeten blijven, ondanks alle verwantschap. En dan zijn de kanttekeningen van een Bijbel niet de plaats voor dogmatische verhandelingen of polemieken. Zodra men dat tot doel stelt, wordt het gevaar onvermijdelijk groot, dat de vertaling onwillekeurig toch dienstbaar wordt gemaakt aan wat men met de kanttekening wil.

Het is dus, naar onze stellige overtuiging, uit methodisch oogpunt, dat de synode niet wilde, dat in de kanttekeningen, die als verduidelijking bedoeld waren, telkens verduidelijkingen zouden worden gegeven in de vorm van een verbindingslijn naar “de waarneming der leerpunten”. Of hun werk acceptabel zou zijn voor “diverse richtingen”, daarover zullen noch de synode, noch de vertalers zich hebben bekommerd. Zij hebben zo vertaald en zulke kanttekeningen bijgevoegd, als zij meenden als gereformeerde mannen naar hun gereformeerde inzichten te moeten doen.

Wanneer Verdegaals interpretatie van het besluit van de synode onder leiding van Bogerman juist zou zijn, zouden de vertalers onder leiding van dezelfde Bogerman het synodebesluit wel heel erg ongehoorzaam zijn geweest.

Verdegaal geeft zelf al aan, dat in de kanttekeningen de facto wel anti-roomse opmerkingen zijn opgenomen. Dat is ook wel heel duidelijk. In een artikel in het boek “Niets kan haar glans verdoven” heeft ds. J. van der Haar daarvan een hele serie opgenomen (blz. 65, 66). En wij sluiten ons ook aan bij ds. van der Haar, wanneer hij daar opmerkt, dat, al wordt de naam remonstrant nergens genoemd, hun leer eveneens op menige plaats een hevige bestrijding vindt.

De remonstrantse leer van een uitverkiezing op grond van voorgezien geloof wordt in de kanttekeningen bij herhaling afgewezen (bijv. Rom. 9:11. Ef. 1:5, 9, 11). Evenzo de zelfwerkzaamheid van de mens in het geloven (Filipp. 2:13). Het is ook niet los te denken van de remonstrantse twisten, dat in de kanttekeningen op vele plaatsen het woord ‘alle’ verklaard wordt als ‘allerlei’ (zo met name 1 Tim. 2:4 en zie voorts Ps. 65:3. Joël 2:28. Hand. 2:17. Tit. 2:11) en ‘wereld’ wordt geïnterpreteerd als de wereld der uitverkorenen of gelovigen (Joh. 1:29; 3:17; 6:33. 2 Kor. 5:19. 1 Joh. 2:2; 4:14).

De doopsgezinden zullen niet blij geweest zijn met de kanttekeningen op 1 Kor. 7:14 en Luk. 1:59, waarin uitgegaan wordt van de legitimiteit van de kinderdoop, of die op Matth. 5:34 en Jak. 5:12, waar betoogd wordt dat daar niet het eedzweren, maar alleen het lichtvaardig eedzweren veroordeeld wordt. En de kanttekeningen op Hand. 2:30. Ef. 4:9. Joh. 1:14. Rom. 1:3 en 1 Tim. 3:16 keren zich indirect, maar wel duidelijk tegen de doperse leer dat Christus Zijn menselijke natuur niet van Maria ontvangen had, maar uit de hemel had medegenomen.

Zo wijst de kanttekening op Matth. 26:26 de lutherse avondmaalsopvatting (alweer zonder haar expliciet te noemen) af. De lutherse leer betreffende de twee naturen van Christus wordt afgewezen in Matth. 26:11. Joh. 16:28. Filipp. 3:21. Kol. 2:9 en de lutherse leer van Christus’ nederdaling ter helle in een lange kanttekening bij 1 Petr. 3:19.

Stellig zal dat mede van invloed zijn geweest op de beslissing van de lutheranen en de doopsgezinden, die beide de Statenvertaling afgewezen hebben.

Men kan de vraag stellen, of een enkele kanttekening toch niet een dogmatische verhandeling is geworden (we noemen als voorbeeld 1 Petr. 3:19). Maar in het algemeen kan men zeggen, dat de vertalers zich aan de richtlijn van de synode gehouden hebben. Zij hebben echter niet verzwegen wat huns inziens rechtstreeks uit de tekst vloeide. Tenslotte is het nog altijd zo, dat in de grote leergeschillen de beslissingen steeds weer zijn gevallen, niet in de dogmatiek, maar in de exegese.

Naar aanleiding van: C.M.L. Verdegaal, De statenbijbel en de rabbijnen. ISBN 90-361-9808-9. Tilburg University Press (324 blz., f 78,50).


Terug

Naar top van deze pagina
Naar pagina Artikelen geschiedenis Statenvertaling
Naar hoofdpagina Geschiedenis