Statenvertaling.nl

sample header image

Geschiedenis van het ontstaan van de Statenvertaling (2)

Op deze pagina is het tweede deel opgenomen van de ‘Geschiedenis van het ontstaan der Statenvertaling’ (1937) door dr. D. Nauta. In deze tekst is de spelling aangepast (met uitzondering van citaten) en zijn ‘tussenkopjes’ ingevoegd.

Zie ook: Geschiedenis van het ontstaan van de Statenvertaling (1)

Een werk van lange adem

Op de dertiende november 1626, precies acht jaar na de openingszitting der Dordtse synode, vinden wij in een huis op de Papengracht te Leiden drie mannen bijeen. Het zijn de mannen, aan wie de eervolle en zware taak der vertaling van het Oude Testament was toevertrouwd. Zij zullen met deze arbeid een begin maken.

De vertalers voor het Oude Testament

Johannes Bogerman, de gevierde predikant uit Frieslands hoofdstad, de hoogst bekwame en invloedrijke voorzitter van de synode te Dordrecht, heeft de leiding. Hij heeft reeds de vijftig jaren bereikt, en maakt met zijn rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd en zijn sierlijk golvende baard een eerbiedwaardig voorkomen. Al een jaar lang bevindt hij zich in de sleutelstad, waar hij dit huis heeft betrokken. Stellig heeft hij zich gedurende dezen tijd beziggehouden met de voorbereiding van het werk, dat hem en zijn medevertalers noopte voor een geruime tijd van hun gewone arbeid en van de eigen familiekring te scheiden.

Verder ontmoeten wij hier de ons reeds bekende schrijver van de ‘Wechbereyder op de Verbeteringhe van den Nederlantschen Bijbel’, de geleerde predikant van Zutphen, Willem Baudartius, die als geschiedvorser zijn sporen had verdiend, hoe slecht hij ook mocht stileren, en die op zo uitnemende wijze het verstond de historie van het bevrijde Nederland te populariseren. Hij heeft reeds de elfde oktober 1625 van zijn magistraat verlof verkregen om zich naar Leiden te begeven. Maar pas op de veertiende april 1626 is hij hier gearriveerd; ik vermoed, dat zijn komst zal zijn vertraagd door de ziekte zijner tweede vrouw, Josina Mum, die in maart van dat jaar overleed. In de maand juli heeft hij, als correspondent der Gelderse synode, die van de Zuid-Hollandse kerken te IJsselstein bijgewoond; daar heeft hij aan de belangstellende vergadering kunnen meedelen, dat hij “zich reeds naar Leiden hadde getransporteert”.

Als derde van het drietal treffen wij Gerson Bucerus aan, één van de twee predikanten te Veere in Zeeland. Hij heeft indertijd door een geschrift, waarin hij het episcopalisme der Engelse kerk bestreed, zich het ongenoegen van koning Jacobus op de hals gehaald. Dit heeft hem echter de hoge achting, welke hij algemeen bij de kerken in Nederland mocht genieten, niet kunnen doen verliezen. Het heeft hem vrij wat moeite gekost, voor enige tijd ontslag uit de dienst zijner gemeente te krijgen. Eerst nadat de magistraat van de Staten vrijheid had ontvangen een derde predikant te beroepen, is Bucerus kunnen vertrekken. Hij is waarschijnlijk in het begin van september te Leiden aangekomen.

Werkwijze van de vertalers

johannes bogerman
Johannes Bogerman (1576-1637).
Vertaler voor het Oude Testament.

Na Bucerus’ komst hebben zij met elkander overleg gepleegd. Op de derde november zijn zij tezamen in ’s-Gravenhage geweest, om met de gemachtigden der Staten-Generaal te onderhandelen. De dag daarna hebben de Hoogmogende heren, op grond van de gevoerde besprekingen, verschillende besluiten genomen. De vertalers zouden het Oude Testament in vier stukken verdelen; na het eerste stuk, dat bij Genesis moest beginnen, te hebben bewerkt, zouden zij dit in handen der overzieners stellen; vervolgens zou in een verenigde vergadering der vertalers en overzieners de eindredactie worden opgemaakt; terwijl eindelijk dit afgewerkte stuk, na getekend te zijn, aan de Staten-Generaal zou worden overgegeven, die het bewaren zouden, totdat de gehele overzetting op deze wijze voor de druk gereed was gemaakt. [16] Elk hunner zou, boven het gewone traktement, een jaarwedde genieten van zeshonderd gulden, vermeerderd met driehonderd voor huishuur, en tweehonderd voor een afschrijver; bovendien zouden zij de verschotten aan vuur en licht in hun vergaderingen, alsmede aan boeken, vergoed krijgen. [17]

Thans zijn de drie mannen in Bogermans woning bijeen, om orde op zaken te stellen: tijd en plaats van vergaderen te bepalen, de te volgen werkwijze uit te stippelen en alles wat meer tot de goede regeling van dergelijke arbeid behoort, met elkander af te spreken.

In hun eerstvolgende vergadering, op de 24ste november, [18] werkten zij, om de eenparigheid van stijl en taal te behouden, het gehele eerste hoofdstuk van Genesis af. Maar in het vervolg hebben zij ieder Bijbelboek in drie delen gesplitst, waarvan dan elk hunner één deel voor zijn rekening nam, om het thuis te vertalen en van eventuele kanttekeningen te voorzien. Het resultaat van deze arbeid kwam daarna in de gemeenschappelijke vergaderingen in bespreking, waarbij vers voor vers in het Hebreeuws werd opgelezen en vervolgens met de voorgestelde overzetting nauwkeurig vergeleken.

Het spreekt vanzelf, dat de vertalers bij de bewerking van het boek Genesis gemak hebben gehad van de ter hunner beschikking gestelde papieren van Marnix en Helmichius, al hebben zij hun voorgangers niet slaafs gevolgd. Ook bij andere Bijbelboeken hebben zij trouwens wel eens profijt getrokken van dergelijke voorarbeid, die door sommigen, uit eigen aandrift, op dit gebied was verricht. In dit opzicht verdient met name de geleerde Vlissingse predikant Joos van Laren vermelding. Van diens particuliere overzettingen der boeken Job, Prediker en Daniël en de daarbij gevoegde kanttekeningen is door Bucerus en Baudartius een dankbaar gebruik gemaakt. Ook schijnen zij hem meermalen over moeilijke Hebreeuwse woorden te hebben geraadpleegd. Nog bij andere personen dan bij Van Laren hebben de vertalers soms aangeklopt om hun oordeel over een bepaalde, lastige Schriftuurplaats te vernemen. Zo won Bogerman eens Gomarus’ raad in over de vertaling van Psalm 55:19 en 23. Overigens hebben de overzetters niet verzuimd alle hulpmiddelen, welke in die tijd op dit gebied ter beschikking waren, te baat te nemen.

De vertalers voor het Nieuwe Testament

Tot dusver vertelde ik alleen van de predikanten, aan wie de overzetting van het Oude Testament was toevertrouwd. Ik moest afzonderlijk over hen spreken, omdat zij het eerst met hun gemeenschappelijke arbeid zijn aangevangen. Hun drie ambtgenoten, voor wie het Nieuwe Testament met de apocriefe boeken was bestemd, zijn tot dit werk pas later overgegaan. Natuurlijk sluit dit niet uit, dat zij, ieder voor zich, reeds eerder met hun taak zijn begonnen. Hommius althans schreef, nadat de Staten-Generaal in 1624 het eerste besluit tot uitvoering der Bijbelvertaling hadden genomen, aan Faukelius: “Ick sal mijn beste beginnen te doen, so veel als mijne occupacien en capaciteyt sullen toelaten... Wij hebben ’t lichste werk, laet ons toesien, dat wij wat goeds daer van maecken.” [19]

Festus Hommius, predikant te Leiden, die in 1619 bovendien tot regent van het Statencollege [20] aldaar was benoemd en als zodanig op de studenten een grote invloed uitoefende, was van dezelfde leeftijd als Bogerman. Niet minder dan deze genoot hij, als de onvermoeide kampioen voor de handhaving der Gereformeerde belijdenis in de dagen der Remonstrantse twisten, het vertrouwen der kerken. Hij was bovendien een uitstekend penvoerder, gelijk hij als scriba der Dordtse synode duidelijk had getoond, en gelijk hij, in een ander opzicht, aan de dag legde door zijn ‘Schatboeck’, dat het Nederlandse volk met Ursinus’ verklaring van de Heidelbergse Catechismus heeft vertrouwd gemaakt.

Naast hem stond voor de vervulling der desbetreffende taak geroepen Antonius Walaeus, die in de dagen der Dordtse synode nog aan de kerk van Middelburg was verbonden, maar sedert het jaar 1619 het hoogleraarsambt aan de Leidse Universiteit bekleedde. Hem had prins Maurits indertijd opgedragen om Oldenbarnevelt in diens laatste ogenblikken geestelijke bijstand te verlenen. Hij was een man, die ook bij tegenstanders als Hugo de Groot in bijzondere achting stond.

Voor dit tweetal, Hommius en Walaeus, die beiden in Leiden woonachtig waren, bestond er uit de aard der zaak geen onoverkomelijk bezwaar om tegelijk met de overzetters van het Oude Testament de arbeid te beginnen. De oorzaak, dat zij dit voorlopig moesten uitstellen, lag in de afwezigheid van hun medewerker. Dit was Jacobus Rolandus, die sedert 1603 als predikant aan de kerk van Amsterdam was verbonden en die als assessor in het moderamen der Dordtse synode had gezeten. Geboren in 1562, was hij onder de vertalers de oudste in leeftijd, al volgde Baudartius vrij dicht op hem.

Het mocht Rolandus niet direct gelukken van zijn kerk ontslag te krijgen om zich in Leiden te vestigen. Zowel van de zijde der overheid als van die des kerkenraads werden bepaalde voorwaarden gesteld. Maar dankzij vooral de druk, die door de deputaten der beide Hollandse synodes werd uitgeoefend, hebben de genoemde instanties ten slotte toegegeven, zodat Rolandus in oktober 1627 naar de sleutelstad kon vertrekken. [21] Zijn vrouw weigerde met hem mede te gaan, en is daarna, wegens de door haar ingenomen houding, in moeilijkheden met de kerk gewikkeld.

Het gezamenlijk werk begonnen

jacobus rolandus
Jacobus Rolandus (1562-1632).
Vertaler voor het Nieuwe Testament.

Zodra ook Rolandus zich te Leiden had gevestigd, konden de overzetters van het Nieuwe Testament met hun gemeenschappelijke arbeid beginnen. Op de synode van Delft in 1628 werd gerapporteerd, dat zij, hoewel later dan de anderen, “door seeckere verhinderinge”, thans aan het werk waren getrokken, en dat zij daarin “door des Heeren genade” zouden “diligenteeren”. Zij hebben blijkbaar afgesproken, dat elk hunner het gehele Nieuwe Testament zou vertalen, en dat zij vervolgens de resultaten met elkander zouden vergelijken, om zo in onderling overleg vast te stellen wat het beste was. Hun vergaderingen zouden zij houden ten huize van Rolandus. [22] Eerst nadat zij met hun vertaling van het Evangelie van Mattheüs gereed waren, en dit aan het einde van het jaar 1628 aan de Staten-Generaal hadden aangeboden, hebben dezen, bij resolutie van de vijfde januari 1629, hun jaarwedde vastgesteld, welke op hetzelfde bedrag als de vertalers des Ouden Testaments ontvingen, werd bepaald, slechts met dit verschil dat aan Hommius en Walaeus geen vergoeding voor huishuur behoefde uitgekeerd te worden. Bovendien ontving elk nog vijfhonderd gulden voor de arbeid, die zij thuis reeds hadden verricht.

Voordat Rolandus en de zijnen zich echter goed en wel op hun taak konden toeleggen, moest er een andere, belangrijke werkzaamheid worden volbracht. De vertalers van het Oude Testament waren tegen de zomer van 1628 met de bewerking der vijf boeken van Mozes zover gevorderd, dat dit gedeelte aan de overzieners kon worden toegezonden. [23] In verband hiermede oordeelden de beide colleges van overzetters het nuttig, zich omtrent de taal en spelling, welke zij zouden gebruiken, met elkander nader te verstaan. Zij hebben daartoe, in de periode tussen 7 juli en 19 september 1628, gezamenlijk vergaderd, zij het ook met een onderbreking gedurende de maand augustus. [24] Deze taalregels, welke in vervolg van tijd door de revisoren nog met verschillende opmerkingen aangevuld zouden worden, zijn bewaard gebleven, en hebben voor de bestudering der taal van onze Nederlandse Bijbel bijzondere waarde, gelijk elders in dit gedenkboek wordt uiteengezet.

Met krachtige en rusteloze ijver hebben de zes mannen aan hun zware taak voortgewerkt. Baudartius verzekerde eens aan Revius, de bekenden dichter-predikant van Deventer: “Ick en hebbe mijn leven lanck noyt so geblockt als ick nu in mijne oude daeghen doen moet.” [25] Toen hij deze woorden neerschreef, was hij reeds de zes en zestig gepasseerd, en van ledig zitten had hij, de man die te Zutphen, drie jaren aaneen, elke zondag, voor de Engelse bezetting had gepreekt, nooit gehouden.

Zonder moeilijkheden en tegenslagen is het de vertalers niet mogen gelukken de eindpaal te bereiken. Zij hadden, ten behoeve van de overzieners, zorg te dragen voor de vervaardiging van een zeker aantal afschriften der vertaalde Bijbelgedeelten. Nu bleek het een onoverkomelijk bezwaar op te leveren, de hiervoor benodigde bekwame afschrijvers te vinden. Vandaar dat toen, met goedvinden der Staten-Generaal, besloten werd de kopie te laten drukken. Ook met deze maatregel was men evenwel nog niet terstond geholpen. De drukker, met wie een contract werd afgesloten, hield zich namelijk niet aan de gemaakte afspraak. Dit had tot gevolg, dat, hoewel de vijf boeken van Mozes reeds in de zomer van 1628 gereed waren ter verzending aan de revisoren, Baudartius pas een jaar later, op de achtste augustus, aan Revius een exemplaar kon laten toekomen, met de betuiging van excuus over dit lange uitblijven, “also het bij onse schult ofte slofficheyt niet en is toegecomen”. [26]

Het overlijden van Bucerus en Rolandus

Een tegenslag van geheel andere en tevens van heel wat ernstiger aard, welke echter een Gomarus deed betuigen, dat hij in de wil des Heeren wenste te berusten, [27] was het overlijden van Bucerus, en daarna eveneens van Rolandus. Toen Bucerus de zevende augustus 1631 stierf, was hij bezig met de bewerking van Ezechiël, [28] terwijl elk der beide anderen eveneens één der grote profeten onderhanden had. Volgens de bestaande regeling zou Antonius Thysius, die toen hoogleraar was aan de Leidse Universiteit, zijn plaats moeten innemen. Nadat hij deze taak aanvankelijk had aanvaard, heeft hij zich echter spoedig weer teruggetrokken. Bogerman en Baudartius zijn toen gezwicht voor de aandrang der Staten-Generaal, om tezamen de overige arbeid voort te zetten en ten spoedigste te voltooien, “op dat soo een voortreffelick ende heylich werck, door het een ofte ander inconvenient, dat daer over soude mogen coomen, niet onder en blijve, tot merckelicke prejuditie ende naedeel van Godts kercke.” [29] Bogerman heeft daarna de vertaling van Ezechiël voortgezet, terwijl hij eveneens het grootste gedeelte der kleine profeten voor zijn rekening nam.

antonius walaeus
Antonius Walaeus (1573-1639).
Vertaler voor het Nieuwe Testament.

Op gelijke wijze werden, in 1632, eveneens de vertalers van het Nieuwe Testament in hun arbeid getroffen door de dood van Rolandus, die toen zeventig jaar was. Hommius en Walaeus hebben zich daarop tot de Staten-Generaal gewend met de vraag, of zij nu de secundus, namelijk Jodocus Hoingius, rector te Harderwijk, zouden oproepen, dan wel of zij gezamenlijk met het werk moesten doorgaan. Bij resolutie van de 22ste juni 1632 hebben de Hoogmogende heren in de laatstgemelde zin beslist. De synodes verenigden zich daarna met deze regeling, omdat, gelijk die der Zuid-Hollandse kerken uitsprak, “het werck vast ten eynde loopt.” Hommius en Walaeus hebben de arbeid op de gewone wijze voortgezet; om het te bespoedigen, hebben zij echter enige werkverdeling aangebracht in het opstellen van de kanttekeningen, waarmede zij tot Handelingen 8 waren gevorderd, en evenzeer in het vertalen der apocriefe boeken alsmede in het samenstellen van een register en het bijeenzoeken der gelijkluidende plaatsen. Zij spanden zich in om, ondanks hun verzwaarde taak, ten spoedigste gereed te zijn. Aan de synode van Brielle in 1633 rapporteerden zij, dat zij nu ook “des Saterdachs besoigneerden”.

Verzending van proefvertalingen naar de revisoren

Gelijk ik reeds even in het voorbijgaan heb opgemerkt, zorgden de vertalers dat de afgewerkte gedeelten regelmatig aan de revisoren ter bestudering werden toegezonden. [30] Die van het Oude Testament stelden vooraf een afzonderlijke memorie op, waarin zij allerlei inlichtingen verstrekten omtrent de inrichting van hun werk. Zij gingen hierbij met de uiterste zorgvuldigheid te werk, getuige een notitie als de volgende: “Op de netticheyt ende cierelyckheyt des drucks, als oock opt geen boven aen elck blat van den inhout der Capittelen met een woort ofte twee souden dienen gestelt, hebben wy voor dit mael niet gelet, vermits gebreck der druckerye ende om costen te vermyden. Op dese ende diergelycke dinghen salmen moghen letten, als het tot de publicatie, door des Heeren genade, soude komen.”

In dezelfde memorie ontvingen de revisoren een waarschuwing om het toegezondene aan niemand anders te laten zien, gelijk ook de vertalers zelf evenals de drukker dezelfde verplichting op zich hadden genomen. De reden van dezen maatregel was, dat er niets ontijdig zou uitlekken, “vermits de menichte van quaetwillighe menschen, die desen H(eyligen) arbeyt gaerne souden verhinderen of tot spot stellen.” [31] Wat wonder, dat Gomarus zich enigermate verstoord toonde, toen hij het pakje, waarin de vijf boeken van Mozes waren gesloten, te Groningen “open ende bloodt” ontving! [32] Blijkbaar hadden de vertalers dit eerste gedeelte van hun “nuttelicke ende noodelicke oversettinghe” aan Rudolphus Ovingius, die als correspondent der Groningsche synode de vergadering der Zuid-Hollandse kerken te Leiden in juli 1629 bijwoonde, meegegeven. Deze predikant der stad Groningen had toen de vrijheid genomen, het pakje open te doen “om wat te besien”. Gomarus betuigde toen in een brief van de 24ste september 1629, waarin hij deze dingen aan de overzetters mededeelde, zijn volle instemming met de bedoelde maatregel. Zelf heeft hij, gelijk hij er aan toevoegde, dat werk aan niemand laten zien, of er iets van laten verluiden dan alleen dat het op accurate en lofwaardige wijze was uitgevoerd. “Want, zo oordeelt hij, eer twerck teenemael voltrocken is, en is geen wysheydt te laten zien: alsoo daer verscheyde onrype ende ongunstighe oordeelen ontydich souden moghen uytrysen.”

Gomarus voldeed in datzelfde schrijven aan een wenk der vertalers, om eventuele opmerkingen over hun arbeid hun bekend te maken. Zijns inziens waren de inhoudsopgaven der boeken en hoofdstukken aan de lange kant, en konden ook verschillende kanttekeningen gevoegelijk iets worden ingekort. Hij eindigde zijn schrijven met de bede, dat God hen “met stercke gesontheydt ende synen Heylighen Geest” wilde bijstaan “om in het heylich werck te volherden, ende opbouwinghe syner kercke te volvoeren”.

Ook onder de overige revisoren hebben verscheidenen ongetwijfeld op soortgelijke wijze hun medeleven met de arbeid der overzetters getoond. Van sommigen hunner is ons dit met zekerheid bekend. Joos van Laren noemde ik reeds. De naam van Jacobus Revius mag ik er nog aan toevoegen. Baudartius schreef hem in 1631: “Wij prijsen Uwer E. neerstigheyt in het overlesen van ons werck, wenschen dat alle d’ander Heeren Revisoren mede soo neerstigh waren.” [33] Maar ik durf haast met zekerheid aannemen, dat niemand hunner in dit opzicht Gomarus is nabij gekomen. [34] Nadat hij het laatste stuk van het Oude Testament had ontvangen, berichtte hij, op zijn zeventigste verjaardag, aan Bogerman: “Hoe aangenaam mij uw brief was, hebben mijn bedienden genoegzaam kunnen bemerken, daar ik bijna van vreugde danste, toen ik de vertaling van de eerste zes kleine profeten, door u bewerkt, ontving. Ik heb God zeer gedankt voor het volbrachte werk en voor uw gezondheid; gij zijt daartoe van de hemel gesterkt. Mijn vreugde is nog vermeerderd bij het ontvangen van de overige zes, waaraan goede arbeid besteed is.” [35]

Belangstelling van de kerkelijke vergaderingen

Ook de kerkelijke vergaderingen lieten niet na, hun belangstelling te tonen. Inzonderheid de Zuid-Hollandse synode, welke hiervoor trouwens de meest aangewezene was, omdat Leiden binnen haar ressort was gelegen, heeft in dit opzicht een grote ijver ontwikkeld. De synode van Dordrecht in 1627 droeg aan haar deputaten op, de vertalers die reeds aan het werk waren getogen, namens haar te gaan begroeten, en haar voldoening over dit feit uit te spreken, hun toewensende “de verlichtinge ende rijcke gaven des H. Geestes.” Het volgende jaar mocht de synode van Delft, door bemiddeling harer deputaten, de dank van de vertalers ontvangen “voor hare sorge, die se heeft over den voortgang van dit werck, ende voor haren goeden wensch.” Meer dan eens hebben de kerken daarna de broeders in Leiden “met alle beleefheyt” vermaand, om in hun arbeid de gang te houden. Regelmatig brachten de deputaten rapport uit omtrent de precieze vorderingen van het vertaalwerk. En toen op de synode van Brielle in 1633 kon worden medegedeeld, dat het Oude Testament gereed was [36] en dat ook de vertalers van het Nieuwe Testament aanmerkelijk waren opgeschoten, verheugde de vergadering zich “over deses grooten wercks goet succes”. De deputaten kregen voorts in opdracht, de vertalers nogmaals te bedanken en hen te vermanen “tot alle vlyticheyt om eenmael dit lang gewenschte werck ten eynde te brengen.”

De revisie voor het Oude Testament

joos van laren
Joos van Laren (1586-1653).
Revisor voor het Oude Testament.

Was op deze synode, welke de 27ste juni werd geopend, gerapporteerd, dat men de revisoren van het Oude Testament tegen de eerste juli naar Leiden had samengeroepen, hun eerste vergadering werd evenwel pas op de negende dag dier maand, ten huize van Bogerman, gehouden. Behalve de beide vertalers waren hier tegenwoordig namens Gelderland Antonius Thysius, vroeger te Harderwijk, toen hoogleraar in Leiden; namens Zuid-Holland Johannes Polyander, eveneens hoogleraar aldaar; namens Noord-Holland Abdias Widmar, predikant te Uitgeest; [37] namens Utrecht Arnoldus Teeckmannus, predikant te Utrecht; namens Overijssel Jacobus Revius, predikant te Deventer; en namens Groningen Franciscus Gomarus, hoogleraar te Groningen. Aan de revisoren namens Zeeland en Friesland, die toen nog ontbraken, heeft het heel wat moeite gekost, ontslag van hun kerkenraden te verkrijgen. Joos van Laren, predikant te Vlissingen, wie nog volgens de acta des kerkenraads van de 22ste juli “plat afgeslagen wiert om als reviseur naar Leyden te gaan” – indien zij toestemden, vreesden de broeders dat zij van de Staten geen toezegging zouden ontvangen voor het instellen ener vijfde predikantsplaats –, maar die alleen verlof kreeg “voor zijn particulier” voor twee of drie weken te vertrekken, verscheen de dertigste dier maand in de vergadering. Hij is daarna echter toch tot het einde der handelingen kunnen blijven. Met Bernardus Fullenius, van Leeuwarden, die eerst op de vierde augustus arriveerde, was dit niet eens het geval. Precies een jaar later moest hij Leiden weder verlaten; de magistraat van Leeuwarden had gedreigd met intrekking van zijn traktement en met het voornemen in zijn plaats een andere predikant te zullen beroepen; want de kerk, die bovendien reeds zolang van Bogermans dienst was verstoken geweest, kon hem niet langer missen.

Bogerman werd met algemene stemmen tot preses verkozen, terwijl Polyander als assessor en Revius als scriba zitting namen. Men vergaderde des voormiddags van negen tot twaalf uur, behalve gedurende de weken vóór Fullenius’ komst, toen men om tien uur begon, en des namiddags van twee tot vier uur; hier werd, in de laatste drie weken van de arbeid, nog een uur aan toegevoegd. Stipt op tijd werd aangevangen, terwijl de telaatkomers in een boete van zes stuivers voor de armen vervielen. In de vergaderingen zelf kwamen slechts die zaken ter sprake, welke betrekking hadden op de vraag, of de juiste zin der Heilige Schrift in de vertaling was getroffen. Opmerkingen omtrent de Nederlandse stijl moesten bij de preses worden ingediend, die omtrent drukfouten, verkeerde aanhalingen van teksten en dergelijke bij de scriba, terwijl de beslissing over deze kwesties werd toevertrouwd aan een commissie, bestaande uit Bogerman, Revius en Gomarus. Voor het verrichten van deze bezigheid maakte men, van de eerste september af, de zaterdagmiddag vrij.

De berekening was, dat men in acht maanden met de revisie gereed kon zijn. Het viel echter tegen. Bogerman, die inmiddels benoemd was tot hoogleraar te Franeker, schreef in april 1634 aan de curatoren dezer Hogeschool: “de langdurigheid van de arbeid en dat onafgebroken voortdurend werken bij dag en nacht, niet zonder grote last van mijn zwakke gezondheid, hindert en kwelt geen sterveling meer dan mij, op wie, na zeven jaren werken bij de vertaling uitgehouden te hebben, nu de zorg en de moeite rust van het bestuur of het voorzitterschap in deze nationale bijeenkomst, waarin afgevaardigden, door de Staten-Generaal benoemd en door de Staten der afzonderlijke provincies gezonden, zitten van alle Nederlandse kerken, aan wie de vrijheid om afzonderlijk in naam van hun provincie raad te geven en hun gevoelen te zeggen, niet kan ontnomen worden; en niet allen hebben dezelfde gave van duidelijkheid en kortheid, welke zeer nuttig zou zijn om dit werk te bespoedigen. De menselijke gebreken van dien aard en de oorzaken der vertraging deels met zachtmoedigheid te vergeven en met geduld te dragen, deels met verstand en beleid te leiden en te verbeteren, dit is nu juist de kunst.” [38]

Op de eerste september 1634 kwamen de revisoren eindelijk met hun taak klaar. Aan de Staten-Generaal werd hiervan kennis gegeven; en nadat de gemachtigden, te weten Bogerman, Revius, Gomarus en Polyander, van hun commissie naar ’s-Gravenhage, op de achttiende september, aan de vergadering rapport hadden uitgebracht, zijn de revisoren weer huiswaarts gereisd. Reeds een week daarna bracht Gomarus in een brief uit Groningen aan Polyander dank voor de vriendelijkheid, welke hij in Leiden, met name van zijn kant, had ondervonden. [39] De revisoren ontvingen een vacatiegeld van vier gulden per dag alsmede vergoeding der gemaakte reiskosten, met dien verstande echter dat hierbij de vertalers, wier gewone uitkering doorging, buiten beschouwing bleven. Bovendien werd aan elk hunner, naar het schijnt, een bedrag van driehonderd gulden uitgekeerd voor de arbeid, die zij tevoren thuis reeds in het belang der revisie hadden verricht, terwijl zij voor de terugreis ieder honderd gulden ontvingen.

De revisie voor het Nieuwe Testament

Na de voltooiing van de revisie des Ouden Testaments, konden voor die van het Nieuwe de voorbereidende maatregelen worden getroffen. De vertalers waren toen met hun arbeid nog niet helemaal gereed. In dat jaar hadden zij tot aan Paulus’ brief aan de Colossensen de afgedrukte stukken aan de overzieners toegezonden. Met het drukken was men in de zomer van 1634 gevorderd tot de brief van Jakobus. Op de synode van ’s-Gravenhage, welke op de 18de juli aanving, luidde het rapport, dat zij zouden “vigileren hun werk zoo spoedig mogelijk af te doen”. Het staat evenwel vast, dat de revisoren na de zo-even vermelde zending geen nieuwe meer in hun woonplaatsen hebben ontvangen, doch dat het resterende gedeelte van het Nieuwe Testament, alsmede de Apocriefe boeken, hun eerst in Leiden zijn ter hand gesteld. [40]

johannes polyander
Johannes Polyander à Kerckhoven
(1568-1646).
Revisor voor het Oude Testament.

Op de elfde september 1634 richtten de Staten-Generaal tot hen de uitnodiging, om tegen de eerste november in Leiden te verschijnen. In de eerste vergadering, welke op de zestiende dezer maand ten huize van Walaeus werd gehouden, waren met de beide vertalers aanwezig: voor Zuid-Holland Henricus Arnoldi, predikant te Delft; voor Noord-Holland Willem van Nieuwenhuisen, rector te Haarlem; voor Zeeland Carolus Dematius, predikant te Middelburg; voor Utrecht Ludovicus à Renesse, predikant te Maarsen; en voor Overijssel Caspar Sibelius, predikant te Deventer. Professor Hendrik Alting, die door Groningen was afgevaardigd, was ten gevolge van zijn reis naar Duitsland niet in staat tijdig aanwezig te zijn; ik vermoed, dat hij niet eerder dan in de maand december is gearriveerd. De revisor namens Gelderland, Sebastiaan Damman, predikant te Zutphen, bevond zich in de vesting Gelder in Spaanse gevangenschap. Eerst nadat hij door de Staten van Gelderland met grote moeite was losgekocht, en in maart 1635 bij de zijnen teruggekeerd, kon hij zijn taak te Leiden gaan vervullen. De veertiende mei werd hij door zijn mede-revisoren in hun vergadering begroet. Fullenius eindelijk, die ook voor dit gedeelte der revisie de Friese kerken moest vertegenwoordigen, werd in Leeuwarden opgehouden. Hoewel hij aanvankelijk toezegde op de tweede februari te zullen komen, schijnt hij ruim een maand later nog niet verschenen te zijn; [41] en op de negentiende juli was hij reeds weer genoodzaakt afscheid te nemen.

Walaeus was voorzitter, Arnoldi assessor en Hommius scriba, terwijl de laatstgenoemde soms vervangen werd door Sibelius. De revisie van het Nieuwe Testament is op soortgelijke wijze als die van het Oude Testament uitgevoerd, zodat het niet nodig is hier alle bijzonderheden daarvan te herhalen.

Wij vernemen, dat allen een volledige afdruk, met wit papier doorschoten, voor zich hadden, en hierin naar believen hun aantekeningen konden maken. Aan de scriba werd echter opgedragen, in zijn exemplaar alle aangenomen wijzigingen aan te brengen, opdat naar de tekst in dit exemplaar de druk zou kunnen geschieden. In dit opzicht moet Hommius niet altijd even nauwkeurig hebben gehandeld. Want Sibelius vertelde later, “dat er zoovele en zooveel malen, in de verschillende hoofdstukken, woorden, zinnen en plaatsen der Schrift door de vertalers aangehaald, werden veranderd, omgezet en verbeterd, dat de scriba door de verschillende veranderingen en correcties overstelpt en in verwarring gebracht, ze nauwelijks kon bijhouden en invullen, voornamelijk omdat hij hoogbejaard, verzwakt en door langdurige arbeid in zijn kracht gebroken was. [42]

Op de laatste augustus 1635 werd de revisie van het Nieuwe Testament beëindigd. Daarna zijn nog de apocriefe boeken, zij het met veel minder grote nauwkeurigheid, door twee commissies, waarin de revisoren zich hadden verdeeld, overzien. Hoewel de pest in deze tijd te Leiden op de vreselijkste wijze woedde, zodat in één week, volgens Sibelius, 1500 mensen begraven werden, bleven alle revisoren met hun gezinnen gespaard. Nadat zij de tiende oktober hun taak hadden volbracht, hebben Walaeus, Damman en Arnoldi de dag daarna, uit hun naam, aan de Staten-Generaal rapport uitgebracht van de verrichte arbeid.

Oponthoud bij het drukken

Inmiddels waren de drukpersen voor het Oude Testament reeds in werking gesteld. Het heeft echter nog heel wat onderhandelingen gekost, voordat tot de druk – “het slot en als het ware de kroon van dit voortreffelijk werk”, gelijk Bogerman opmerkte [43] – in werkelijkheid kon worden overgegaan. Bogerman en Baudartius hadden van de Staten-Generaal voor de uitgave van het Oude Testament een octrooi verkregen voor de tijd van vijftien jaren, gelijk de beide vertalers des Nieuwen Testaments vervolgens eveneens hebben ontvangen. De slotsom van talrijke besprekingen is geweest, dat zij hun rechten, tegen een vergoeding van vijftien honderd gulden ten behoeve van elk hunner, aan de Leidse burgemeesters hebben overgedragen. Dezen hebben daarna met de weduwe Van Wouw een contract afgesloten, dat zij de druk te Leiden zou laten uitvoeren door Pauwels Aertsz van Ravesteyn, die hiertoe uit Amsterdam naar Leiden moest verhuizen. Op de tiende en de twaalfde februari 1635 zijn deze overeenkomsten in het Privilegieboek der stad Leiden opgenomen. [44]

Gevolg van een en ander was, dat Bogermans verwachting als zou de druk reeds in oktober 1634 beginnen, niet werd verwezenlijkt, en dat hij veel langer dan hij gedacht had, in Leiden moest blijven. Want van heengaan, aleer ook deze taak zou volbracht zijn, kon geen sprake wezen. Hieraan was, naar zijn mening, zoveel gelegen, “dat zonder zeer nauwkeurig toezicht bij de correctie, het ganse werk der translatie en revisie, tot een eeuwige disreputatie, alle lusten zou verliezen en tot groot misnoegen aller vromen en spot aller vijanden moeten verstrekken.”

statenvertaling 1637 genesis 1
Het begin van Genesis 1 in de eerste
druk van de Statenvertaling.

Na het oponthoud, dat door de onderhandelingen met de drukkers was veroorzaakt, volgde nog een felle winter, zodat het zelfs onmogelijk bleek met de pers te werken. Bovendien leverde het vrij wat moeite op, het benodigde materiaal aan goed papier en aan nieuwe lettertypen te verkrijgen. Maar ook aan deze moeilijkheden kwam, na enige tijd, een einde. In april 1635 werkte men, op twee persen tegelijk, aan het afdrukken der nieuwe Bijbelvertaling. Op de synode te Woerden, welke de 24ste juli werd geopend, rapporteerden de deputaten, dat de drukkers op de ene pers met de boeken Genesis en Exodus waren gereed gekomen en momenteel met het boek Leviticus bezig waren, en dat op de tweede pers Jesaja werd gedrukt. In januari 1636 was het werk gevorderd tot Koningen en tot Daniël. Toen ook het Nieuwe Testament voor de druk gereed was, werd er, dankzij de tussenkomst der stedelijke overheid, “omme mettet werc te spoeyen”, nog een derde pers bij in gebruik genomen. [45]

Wat de correctie der proeven betreft, zij gebeurde eerst door de drukker, én daarna nog een tweede en derde maal; voor het Oude Testament droegen achtereenvolgens Baudartius en Bogerman hiervoor zorg, en voor het Nieuwe Testament Hommius en Walaeus. Met het Oude Testament was men, volgens het rapport dat op de synode van Leerdam werd uitgebracht, in de zomer van het jaar 1636 gereed. In de maand juni van het volgende jaar kon eveneens de druk van het Nieuwe Testament worden afgesloten.

De Statenbijbel

Op de synode te Leerdam, die van 25 augustus tot 4 september 1636 werd gehouden, kwam de gewichtige vraag ter tafel, of het niet nodig zou zijn in de nieuwen Bijbel “twee treffelijcke praefatien” op te nemen, de eene uit de naam der Staten-Generaal, “als onder welckers authoriteyt ende beleyt dit werc is bij de handt genomen”, en de andere uit de naam der Gereformeerde kerken.

De vergadering besloot toen deze aangelegenheid bij de andere particuliere synodes aanhangig te maken, om hierover haar adviezen te vernemen. Vanzelf zou deze behandeling vrij wat tijd vergen. Vandaar dat de synode tevens aan de deputaat Rosaeus, de bekende predikant van ’s-Gravenhage, opdroeg, zich met de Hoogmogende heren Staten-Generaal in verbinding, te stellen, opdat men met het drukken van een voorrede voor de Bijbelvertaling enig geduld zou oefenen.

Naar het schijnt droeg de synode, bij het nemen dezer beslissingen, geen kennis van het feit, dat Bogerman en Baudartius reeds twee van dergelijke prefatiën ontworpen hadden en bij de Staten-Generaal ingediend. De eerste hiervan was gericht aan deze Hoogmogende heren en behelsde een kort overzicht van alles wat er met betrekking tot het vertalen van de Bijbel was voorgevallen. Zij verwierf, nadat enige wijzigingen waren aangebracht, hun goedkeuring en mocht gedrukt worden. Wat echter die tweede voorrede aangaat, welke zich richtte tot de Gereformeerde kerken, en waarin de noodzakelijkheid van een nieuwe vertaling uitvoerig werd aangetoond, zij behoorde, naar het oordeel der Staten-Generaal, aanmerkelijk bekort te worden. Wanneer dit was geschied, zou Baudartius haar opnieuw, in gewijzigde vorm, kunnen indienen; en daarna zouden de Hoogmogende heren hun definitieve uitspraak geven. Aldus had hun resolutie van de dertigste mei 1636 geluid.

Het is met deze zaak evenwel anders uitgelopen. Of men er zich in de kerken niet voldoende voor heeft geïnteresseerd? Zeker is in elk geval, dat op de eerstvolgende vergadering der Zuid-Hollandse kerken, op de synode van Dordrecht in juli 1637, geen enkel advies der andere particuliere synodes over deze aangelegenheid was ingekomen. Bovendien werd in deze vergadering de mededeling gedaan, dat de prefatiën reeds opgesteld waren en eerstdaags onder de pers zouden komen. Het was om deze redenen, dat de deputaten der synode het niet geraden hadden gevonden, zich verder met de bedoelde zaak in te laten.

Misschien hebben zij hieraan wel verstandig gedaan. Want ik acht het zeer de vraag, of zij, met het uitspreken van de kerkelijke wensen, bij de Staten-Generaal in dit opzicht zelfs het geringste resultaat zouden bereikt hebben. De Hoogmogende heren volgden hun eigen weg in deze. Op het uitstippelen van die weg schijnen de Staten van Holland een sterken invloed te hebben uitgeoefend. Alleen uit naam der Staten-Generaal zou in de nieuwen Bijbel worden opgenomen een acte van autorisatie, welke door de Raad van State was opgesteld. [46] Want men ging van deze overweging uit, dat het werk der Bijbelvertaling enkel en alleen door hun beschikking was uitgevoerd en geheel bekostigd. Vandaar dat ook hun alleen de dank en de eer voor dit werk behoorde toe te komen.

De genoemde acte van autorisatie werd de 29ste juli 1637 definitief vastgesteld, en daarna als voorrede in de Nederlandsen Bijbel opgenomen. Zij heeft de grond geleverd voor de gebruikelijke benaming van Statenbijbel.

Aanbieding aan de Staten-Generaal

In het kader der vermelde feiten past geheel, dat het eerste exemplaar van de nieuwen Bijbel, in paars fluweel gebonden en verguld op snee, aan de Staten-Generaal werd aangeboden. Deze plechtigheid geschiedde op de zeventiende september 1637. Bogerman, die ziek was en de elfde dier maand overleed, had nog Andreas Rivet, de bij uitstek representatieve figuur onder de theologen van zijn dagen, verzocht zijn plaats te willen innemen. Hij achtte het niet in overeenstemming met de waardigheid der handeling, wanneer slechts één der vertalers haar zou moeten uitvoeren. Die éne was Festus Hommius. Baudartius was verhinderd te komen. Walaeus, die, toen Bogerman schreef, eveneens ziek was, kon niettemin Hommius op de tocht naar ’s-Gravenhage vergezellen, om aan de plechtige aanbieding mede te doen.

andreas rivet
Andreas Rivet (1572-1651).
Rivet verving Bogerman bij de
presentatie van de Statenvertaling
op 17 september 1637.

Hommius had, des daags tevoren, per schip aan Rivet een koffer gezonden, waarin verschillende exemplaren van de Bijbel, die in ’s-Gravenhage moesten uitgereikt worden, geborgen waren. Het gezelschap heeft zich ongetwijfeld, in de namiddag van de zeventiende september, van Rivets huis in de Hoogstraat naar de vergadering der Staten-Generaal begeven. Hier hebben zij toen aan de Hoogmogende heren de fraaie Bijbel overgereikt, onder dankzegging “voor hunnen Christlyken iever en vaderlyke zorge, in het uitvoeren van dit voor de kerken van Nederland nodig werk, betoond”. [47]

Zo is de langgekoesterde begeerte der kerken in vervulling getreden, en de moeizame arbeid der vertalers en overzieners met een gezegend resultaat bekroond. Door Gods goedheid mocht thans dit geweldige werk in het openbaar worden gebracht; nu zou aan de dag treden, wat Revius in 1633 aan zijn ambtgenoot Sibelius had verzekerd: “dit werk is te heilig dan dat het iets zoude behoeven te duchten van de knabbelarijen van afgunstige kleine zielen.” [48]

De Statenvertaling verscheen als een monument, dat de eeuwen zou verduren. Zij zou aan geslacht na geslacht de verrassende gelegenheid geven te ontmoeten de eeuwige God, sprekende in de Nederlandse taal.

Noten

[16] Gelijk nog blijken zal, hebben de vertalers zich aan deze regeling niet gehouden, vermoedelijk niet zonder vooraf met de Staten-Generaal overleg gepleegd te hebben.

[17] Aan deze bepaling werd terugwerkende kracht gegeven, zodat Bogerman terstond f 1100 en Baudartius f 575 ontving en bovendien voor boeken nog resp. f 57 en f 62.

[18] H. Edema van der Tuuk, ‘Joh. Bogerman’, blz. 270, geeft als datum op 29 nov. en wordt hierin door anderen gevolgd. Hinlópen, a.w., blz. 100, noemt echter 24 nov.

[19] Dr. P. J. Wijminga, a.w., Bijl., blz. XXII.

[20] Het Statencollege, dat door de Staten van Holland was gesticht, diende voor huisvesting van studenten, die aan de Leidse Hogeschool studeerden.

[21] Rolandus werd op de 9de oktober 1627 honoris causa als student te Leiden ingeschreven. – In het ‘Album academicum’ komen de namen van verschillende vertalers en revisoren voor.

[22] Na Rolandus’ dood zullen Hommius en Walaeus waarschijnlijk ten huize van de laatstgenoemde, waar later ook de revisoren samenkwamen, hebben vergaderd.

[23] Baudartius berichtte aan de synode te Nijmegen (23-26 juli 1628), dat de vijf boeken van Mozes reeds voor de overzieners gedrukt waren; verg. J. Anspach, in ‘De Navorscher’, XXVII, blz. 303. Zie ook N. Hinlópen, a.w., blz. 107.

[24] Er is tussen 27 juli en 18 september blijkbaar niet vergaderd, verg. N. Hinlópen, a.w., Bijl., blz. 96, 101. – Vermoedelijk heeft men omstreeks deze tijd geregeld elk jaar een vakantie genomen.

[25] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 182.

[26] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 177.

[27] G.P. van Itterzon, ‘Franc. Gomarus’, blz. 255, 428.

[28] Hij was gevorderd tot hoofdstuk 21.

[29] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 193.

[30] Er werden 18 exemplaren gedrukt; verg. W. P. C. Knuttel, ‘Acta der Part. Synoden’, I, blz. 300.

[31] Om deze zelfde reden gaven de Staten-Generaal het hun vertoonde exemplaar na visie terug.

[32] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 254, 439.

[33] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 182.

[34] Gomarus zelf sprak van een “harden en bitteren arbeid”, die hij gedurende vier jaren aan het private revisie-werk had ten koste gelegd. Voor zichzelf had hij minstens driemaal het Hebreeuwse Oude Testament doorgelezen; verg. G. P. van Itterzon, a.w., blz. 258, 259, 431.

[35] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 256, 429, 430.

[36] Alleen restte nog “het maecken van twee registers, de chirographia Palestinae, de icones, om uut te beelden den tempel ende de vaten des tempels, ende een tractaet van de ghebruyckelijcke mate ende ghewichte der Joden”; maar men hoopte hiermede voor de beëindiging der revisie gereed te zijn.

[37] Widmar was, na het overlijden van Rolandus, door de Noord-Hollandse synode van 1632 als revisor benoemd. Hij ontving pas op de 13de februari 1633 de gedrukte vertalingen. Dag en nacht had hij sindsdien gewerkt, terwijl hij allerlei andere arbeid opzij zette.

[38] H. Edema van der Tuuk, a.w., blz. 274, 275.

[39] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 257, 430.

[40] Dr. J. P. Wijminga, a.w., blz. 323, noot 2.

[41] N. Hinlópen, a.w., Bijl., blz. 142, 143. – In het ‘Biogr. Woord. van Protest. Godg. in Nederl.’, III, blz. 145, wordt medegedeeld, dat in 1636 aan Fullenius een verlof van twee maanden werd verleend, tot correctie der drukproeven. Dit gegeven laat zich echter in de ons bekende feiten moeilijk opnemen. Ik vermoed daarom dat het bedoelde verlof verleend is voor het deelnemen aan de revisie.

[42] Dr. P. J. Wijminga, a.w., blz. 325. – Als Hommius afwezig was, tekende Sibelius de wijzigingen aan; maar Hommius moest die daarna weer in zijn exemplaar overnemen, en in dit opzicht schijnt hij niet altijd getrouw geweest te zijn.

[43] H. Edema van der Tuuk, a.w., blz. 278.

[44] Met de vertalers van het Nieuwe Testament is deze overeenkomst opgemaakt op de 2lste juni 1636.

[45] W. P. C. Knuttel, ‘Acta’, II, blz. 45; G. P. van Itterzon, a.w., blz. 258, 433.

[46] De Staten-Generaal droegen aan de Raad van State ook op, om uit de beide door de vertalers ontworpen voorreden er een, gericht tot de lezers, samen te stellen. Hiervan is echter in werkelijkheid niets gekomen.

[47] De Staten-Generaal vereerden aan elk der vertalers een bedrag van f 150, terwijl de erfgenamen van Bucerus f 100 ontvingen. – Bogerman kreeg nog een extra-toelage van f 500.

[48] E. J. W. Posthumus Meyjes, ‘Jacobus Revius’, blz. 62.


Zie ook

Geschiedenis van het ontstaan van de Statenvertaling (1)

Terug

Naar top van deze pagina
Naar hoofdpagina Geschiedenis